De carnavalsgekte in Oostduinkerke werd vorige vrijdag 6 februari al afgetrapt met de Foute carnavalsparty. Een memorabele avond en de carnavalisten maakten er hun seniorenprinsenpaar bekend.
Gisteren zagen we het mooie koppel terug tijdens de grote carnavalsstoet, tussen de sneeuwvlokken door.
Wie carnaval zegt, denkt direct aan Maurice Legein en Marina Stevelinck. “Al van toen ik een kleine jongen was, is carnaval een echte feestdag voor mij. Mijn ouders waren erbij vanaf het eerste uur”, vertelt Maurice. “Ik heb het dus nooit anders geweten. In het begin kon je trouwens nog ‘als individu’ meelopen met de stoet. Door het succes kwamen daar elke editie meer wagens bij.” Ook zijn echtgenote komt uit een carnavalsgek nest. “Mijn vader schopte het in 1956 tot schildknaap.”
Tijdens hun jeugdjaren was het aftellen tot ze op dinsdagavond mee mochten naar de maskeradewedstrijd in de cafés. De Orde van de Vette Dinsdag werd opgericht in 1967. “Tijdens mijn jeugdjaren waren er soms tot 100 maskers te zien, het hoogtepunt van het jaar. Gelukkig trouwde ik met Marina die de liefde voor het carnaval nooit in de weg heeft gestaan”, vertelt Maurice. “We trokken altijd samen in de stoet met ‘onze’ volksdansgroep de Oud-IJslandvaarders. Vele edities dansten we door de straten en jarenlang maakten we een eigen wagen.”
In 1982 gebeurde het onvermijdelijke. “Tussen pot en pint opperde Ronny Rooms het idee of ik het niet zag zitten om deel te nemen aan de wedstrijd om prins carnaval te worden. Samen met Ward Samyn vormde ik een trio.” In die tijd moesten de kandidaat-prinsen het nog tegen elkaar opnemen aan de hand van verschillende proeven, de winnaar mocht zich een jaar lang prins carnaval noemen. “Prachtige herinneringen. Ik haalde het en ook de 2 jaren daarna trok ik aan het langste eind. We kregen de steun van de toenmalige Orde van de Garnaalkop, van Maurice Denecker die Estaminet De Peerdevisscher uitbaatte.”
Eervolle vermelding voor de inmiddels overleden oud-paardenvisser, want hij redde (tijdens de jaren 1980) de carnavalstraditie in Oostduinkerke van de ondergang. “Het waren mooie jaren, we gingen meerdere keren naar Nederland en Duitsland. In 1984 werden Ward, Ronny en ik de eerste hofmaarschalken en keizer in de geschiedenis van Oostduinkerke. Ik moet niet uitleggen dat ik nog steeds heel trots ben op die mijlpaal.”
Maurice en Marina gaan nu ook door het leven als Seniorenprinsenpaar 2026. “Ze wilden ons verrassen”, glimlacht Marina. “Maar omdat we al iets gepland hadden op het moment dat ze ons zouden vieren, moesten ze (Ria Dewitte en Frederik Corneillie) wel zeggen dat we erbij moesten zijn.”
“En zo belanden we weer op een wagen”, vult Maurice aan. “Ik moet er wel voor zorgen dat ik op tijd terug ben voor de voorstelling van de wagens, voor het oud-gemeentehuis. Die presentatie neem ik al meerdere jaren op mij. Door af en toe eens langs te gaan ‘op de Werf’ probeer ik goed geïnformeerd te zijn over de verschillende stoetkarren. Ooit kregen we de kans om te gaan kijken achter de schermen in Aalst. Dat was indrukwekkend.”
Maurice: “Carnaval is meer dan een braspartij. Zo is de aanstelling in het gemeentehuis een officiële aangelegenheid, met een draaiboek waar we niet van afwijken. Ook met de klederdracht van de prinsen lach je niet.”
Marina: “Zo mag je de scepter van een prins carnaval niet aanraken zonder de bijhorende handschoenen. Als je dat toch zou doen, roepen ze je direct op het matje.”
Marina: “Toch wel. Het blijft binnen de perken, maar vroeger gebeurden er straffe stoten. Maar de regel is dat die verhalen binnenskamers blijven.”
Maurice: “Het zijn vooral mooie herinneringen. Nu doen er nog steeds 3 cafés mee, maar tijdens de ‘hoogdagen’ waren dat er 6 of 7. Als prins carnaval moet je af en toe in de buidel tasten, dus het is niet dat je rijk wordt met zo’n titel. Het draait vooral om prestige.”
Marina: “Ik bewaakte ook altijd een paar bierbons in mijn handtas, ik hield mee in de gaten wie er te veel gratis pintjes wilde drinken op de kap van het prinsentrio.”
Maurice: “Tientallen. Misschien nog eentje: op de hoed van de prins zie je 3 veren. 2 van die pluimen kregen we via de Orde van de Hoge Blekker, de carnavalistenvereniging van Koksijde. Die veren kostten veel – toen 1.000 Belgische frank - en plots stopten (de inmiddels overleden, red.) Hilda en Gilbert ons geld toe waarmee me die 3e veer konden aankopen. Mooi, toch?”
Marina: “Zeker. Begrijp me niet verkeerd, ik hou van carnaval – maar het verkleden op zich is voor mij minder belangrijk. Ik stel me graag op ten dienste van de mensen. Het verenigingsleven heeft het vandaag niet gemakkelijk en toch slagen we er nog altijd in om, met de Oud-IJslandvaarders, na 57 jaar ‘dienst’ om een steentje bij te dragen.”
Maurice: “Ze zien haar daar ontzettend graag. En terecht, het is een stuk van haar levenswerk. Vanaf haar 17e is Marina bij de dansgroep.”
Marina: “Pas op, het is niet dat ik er niet graag bij ben. Laat ons zeggen dat we tegenwoordig een week moeten recupereren na carnaval. (hilariteit)”
Maurice: “Moeilijk, zeker omdat we mensen zullen vergeten. Doe maar André Cavyn, voor alles dat hij voor Oostduinkerke en de carnavalisten heeft betekend.”
De illustraties en oude documenten komen uit het archief van M. Legein.
Maurice en Marina zijn wereldberoemd in Oostduinkerke als seniorenprinsenpaar én Oud-IJslandvaarders. Maar wist je dat Marina ook de geestelijke moeder is van 2 reuzen?
De reuzen werden in het leven geroepen door de Oud-IJslandvaarders. Marina en Maurice stak de reuzen zelf in elkaar: met buizen, pannenlatten en kippengaas. Peter Dalle zorgde voor het polyesteren. De hoofden werden eerst in papier-maché gemaakt en daarna in polyester gegoten.
Henri Legein en Maria Delanghe stonden model voor de reuzen. Henri was een bekende visser die op Nieuwpoort voer. “Tijdens de Garnaalfeesten zetten we Pé en Mé voor onze deur”, vertelt Marina. “Maar tijdens de carnavalsweek laten we ze op hun veilige rustplaats, ‘op de Werf’ in de Farazijstraat. Wisten jullie trouwens dat onze zoon Robby hier iets verderop werkt? In het NAVIGO Visserijmuseum – als onthaalmedewerker